ECLI:NL:HR:2018:312

Hoge Raad

Datum uitspraak
9 maart 2018
Publicatiedatum
9 maart 2018
Zaaknummer
17/01937
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 RO
Verwijzingen
4 uitgaand · 5 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt toepassing hofnorm bij vaststelling alimentatiebehoefte

In deze zaak gaat het om een cassatieberoep van de man tegen een beschikking van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch inzake de vaststelling van de behoefte aan kinder- en partneralimentatie. Het hof hanteerde daarbij een referentieperiode van één jaar, de zogenaamde 'hofnorm'.

De Hoge Raad verwijst naar de eerdere uitspraken van de rechtbank Limburg en het gerechtshof ’s-Hertogenbosch en beoordeelt het cassatieberoep op grond van artikel 81 lid 1 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. De klachten van de man leiden niet tot cassatie omdat zij geen rechtsvragen oproepen die van belang zijn voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling.

De conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal was gericht op verwerping van het beroep, waarop de advocaat van de man heeft gereageerd. Uiteindelijk besluit de Hoge Raad het beroep te verwerpen en bevestigt daarmee de gehanteerde hofnorm en de referentieperiode van één jaar voor de vaststelling van alimentatiebehoefte.

De beschikking is uitgesproken door raadsheer T.H. Tanja-van den Broek en ondertekend door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens (voorzitter), G. Snijders en C.E. du Perron.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de beschikking van het hof wordt bekrachtigd.

Uitspraak

9 maart 2018
Eerste Kamer
17/01937
EV/AS
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[de man],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
advocaat: mr. M.A.J.G. Janssen,
t e g e n
[de vrouw],
wonende te [woonplaats],
VERWEERSTER in cassatie,
advocaat: mr. H.J.W. Alt.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de man en de vrouw.

1.Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de beschikkingen in de zaak C/03/204079/FA RK 15-975 van de rechtbank Limburg van 28 oktober 2015 en 1 december 2015;
b. de beschikking in de zaak 200.184.914/01 van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 19 januari 2017.
De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.

2.Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van het hof heeft de man beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De vrouw heeft verzocht het beroep te verwerpen.
De conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal strekt tot verwerping van het beroep.
De advocaat van de man heeft bij brief van 18 januari 2018 op die conclusie gereageerd.

3.Beoordeling van het middel

De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, G. Snijders en C.E. du Perron, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer T.H. Tanja-van den Broek op
9 maart 2018.