Uitspraak
wonende te [woonplaats],
wonende te [woonplaats],
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
9 maart 2018.
Hoge Raad
In deze zaak gaat het om een cassatieberoep van de man tegen een beschikking van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch inzake de vaststelling van de behoefte aan kinder- en partneralimentatie. Het hof hanteerde daarbij een referentieperiode van één jaar, de zogenaamde 'hofnorm'.
De Hoge Raad verwijst naar de eerdere uitspraken van de rechtbank Limburg en het gerechtshof ’s-Hertogenbosch en beoordeelt het cassatieberoep op grond van artikel 81 lid 1 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. De klachten van de man leiden niet tot cassatie omdat zij geen rechtsvragen oproepen die van belang zijn voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
De conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal was gericht op verwerping van het beroep, waarop de advocaat van de man heeft gereageerd. Uiteindelijk besluit de Hoge Raad het beroep te verwerpen en bevestigt daarmee de gehanteerde hofnorm en de referentieperiode van één jaar voor de vaststelling van alimentatiebehoefte.
De beschikking is uitgesproken door raadsheer T.H. Tanja-van den Broek en ondertekend door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens (voorzitter), G. Snijders en C.E. du Perron.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de beschikking van het hof wordt bekrachtigd.