Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Beoordeling van het tweede middel
4.Beslissing
18 december 2018.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch in een strafzaak over een growshopexploitatie en de toepassing van het growshopverbod onder artikel 11a van de Opiumwet.
De verdachte voerde aan dat na 1 maart 2015 de bedrijfsvoering was aangepast, waardoor geen criminele intentie meer bestond. De Hoge Raad oordeelde dat het middel niet tot cassatie kon leiden en gaf geen verdere motivering, conform artikel 81, eerste lid, RO.
Wel stelde de Hoge Raad vast dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro was overschreden doordat stukken te laat door het hof waren ingezonden en de cassatiefase meer dan twee jaar duurde. Dit leidde tot een vermindering van de opgelegde geldboete van €10.000 naar €9.000, en de vervangende hechtenis van 85 naar 80 dagen.
De Hoge Raad vernietigde het bestreden arrest uitsluitend voor wat betreft de hoogte van de geldboete en de duur van de vervangende hechtenis en verwierp het beroep voor het overige.
Het arrest werd gewezen door vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter en raadsheren A.J.A. van Dorst en M.J. Borgers op 18 december 2018.
Uitkomst: Vermindering van geldboete naar €9.000 en vervangende hechtenis naar 80 dagen wegens overschrijding redelijke termijn.