ECLI:NL:HR:2018:2435

Hoge Raad

Datum uitspraak
18 december 2018
Publicatiedatum
28 januari 2019
Zaaknummer
18/00677
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 ROArt. 11a OpiumwetArt. 6 EVRM
Verwijzingen
5 uitgaand · 3 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering geldboete wegens overschrijding redelijke termijn in growshopverbodzaak

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch inzake een verdachte die werd vervolgd in verband met de exploitatie van een growshop en de toepassing van artikel 11a van de Opiumwet. De verdachte voerde aan dat na 1 maart 2015 de bedrijfsvoering was aangepast, waardoor geen criminele intentie meer bestond.

De Hoge Raad oordeelde dat het eerste middel niet tot cassatie kan leiden omdat het geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling bevat. Het tweede middel klaagde over de overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro, omdat stukken te laat werden ingezonden en de uitspraak meer dan twee jaar na het instellen van het cassatieberoep volgde.

De Hoge Raad stelde vast dat de redelijke termijn was overschreden en besloot daarom de opgelegde geldboete en de duur van de vervangende hechtenis te verminderen. De geldboete werd verlaagd van €10.000 naar €9.000 en de vervangende hechtenis van 85 naar 80 dagen. Het beroep werd voor het overige verworpen.

Uitkomst: De geldboete is verminderd naar €9.000 en de vervangende hechtenis naar 80 dagen wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

18 december 2018
Strafkamer
nr. S 18/00677
SLU
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 18 oktober 2016, nummer 20/000220-16, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] (Iran) op [geboortedatum] 1972.

1.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft L.E.M. Hendriks, advocaat te Maastricht, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Procureur-Generaal J. Silvis heeft geconcludeerd tot vermindering van de opgelegde straf wegens schending van de redelijke termijn in de mate die de Hoge Raad gepast acht en voorts tot verwerping van het beroep voor het overige.

2.Beoordeling van het eerste middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.Beoordeling van het tweede middel

3.1.
Het middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.
3.2.
Het middel is gegrond. Voorts doet de Hoge Raad uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde geldboete van € 10.000,-, subsidiair 85 dagen hechtenis.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde geldboete en de duur van de vervangende hechtenis;
vermindert de geldboete en de duur van de vervangende hechtenis in die zin dat deze € 9000,-, subsidiair 80 dagen hechtenis, bedragen;
verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren A.J.A. van Dorst en M.J. Borgers, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
18 december 2018.