Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de middelen
3.Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
4.Beslissing
18 december 2018.
Hoge Raad
De verdachte werd in hoger beroep veroordeeld voor (poging tot) diefstal in vereniging, waarbij onder meer geld en sieraden werden buitgemaakt via babbeltrucs met valse politiepassen, alsmede voor witwassen en medeplegen van valsheid in geschrifte.
In cassatie werden verschillende klachten ingediend, waaronder over de afwijzing van niet tijdig ingediende appelschriften, getuigenverzoeken en het gebruik van verklaringen van aangevers als bewijs in strijd met het ondervragingsrecht ex art. 6 EVRM Pro. Ook werden bewijsklachten geuit over witwassen en medeplegen van valsheid in geschrifte.
De Hoge Raad oordeelde dat de middelen niet tot cassatie konden leiden en dat geen nadere motivering nodig was omdat geen rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling aan de orde waren. Wel werd ambtshalve beoordeeld dat de redelijke termijn zoals bedoeld in art. 6 EVRM Pro was overschreden, aangezien meer dan zestien maanden waren verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep.
Dit leidde tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van vijf jaar tot vier jaar en tien maanden. De rest van het beroep werd verworpen en de bestreden uitspraak werd vernietigd uitsluitend voor wat betreft de duur van de straf.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd van vijf jaren tot vier jaren en tien maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn.