Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Beoordeling van het tweede en het derde middel
4.Beoordeling van het vierde middel
5.Beslissing
11 december 2018.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch in een strafzaak over meervoudige mishandeling, bedreiging en belediging van een ambtenaar.
De verdachte was niet verschenen bij de terechtzitting in hoger beroep, maar had schriftelijk afstand gedaan van zijn aanwezigheidsrecht. Zijn raadsvrouwe verzocht om aanhouding van de behandeling omdat zij vermoedde dat de verdachte door ziekte niet aanwezig kon zijn. Het hof wees dit verzoek af en oordeelde dat de afstandsverklaring ondubbelzinnig was en dat het belang van het onderzoek geen aanhouding vereiste.
De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verwierp het middel dat de afwijzing van het aanhoudingsverzoek betrof. Wel oordeelde de Hoge Raad dat de redelijke termijn zoals bedoeld in het EVRM was overschreden in de cassatiefase doordat stukken te laat werden ingezonden. Dit leidde tot vernietiging van het arrest uitsluitend wat betreft de strafduur en vermindering van de gevangenisstraf met drie maanden.
Het beroep werd voor het overige verworpen, waarmee de inhoudelijke veroordelingen en overige beslissingen van het hof in stand bleven.
Uitkomst: De gevangenisstraf werd verminderd met drie maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn, het beroep werd verder verworpen.