Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Beslissing
11 december 2018.
Hoge Raad
In deze zaak stond centraal of een beschikking van een enkelvoudige kamer van de rechtbank nietig is vanwege het ontbreken van de handtekening van de voorzitter, terwijl alleen de griffier had getekend. De beschikking betrof beslaglegging op de woning van de klaagster en een geldbedrag van haar echtgenoot in verband met verdenking van witwassen.
De klaagster stelde dat het niet ondertekenen door de voorzitter in strijd was met artikel 24, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering en dat dit tot nietigheid van de beschikking moest leiden. De Hoge Raad overwoog dat dit voorschrift niet van zodanige essentiële aard is dat de enkele niet-naleving daarvan nietigheid tot gevolg heeft, mede gelet op de wetsgeschiedenis.
Daarnaast was er een door de griffier gewaarmerkte stempelafdruk 'voor afschrift' op de fotokopie van de beschikking, waarmee werd vastgesteld dat het afschrift dezelfde inhoud had als de door de enkelvoudige kamer gewezen en uitgesproken beschikking. Dit leidde tot verwerping van het beroep van de klaagster.
De Hoge Raad bevestigde hiermee dat de procedurele onvolkomenheid in de ondertekening niet tot nietigheid leidt wanneer de inhoud van de beschikking onbetwist is en door de griffier is gewaarmerkt. De beschikking blijft daarmee rechtsgeldig.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt verworpen; het ontbreken van de handtekening van de voorzitter leidt niet tot nietigheid van de beschikking.