Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
11 december 2018.
Hoge Raad
De zaak betreft een verdachte die werd vervolgd voor rijden onder invloed en doorrijden na een verkeersongeval. De verdachte stelde dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moest worden verklaard omdat een medeverdachte al via een strafbeschikking was vervolgd voor hetzelfde feit.
Het hof had het verweer van de verdachte ten onrechte in het kader van het vertrouwensbeginsel beoordeeld. De Hoge Raad oordeelde dat de enkele omstandigheid dat een medeverdachte strafbeschikking ontving, niet leidt tot niet-ontvankelijkheid van het OM. Dit strookt niet met het strafprocesrechtelijke uitgangspunt dat de werkelijke dader in beginsel vervolgd moet kunnen worden, ook als een ander al is gestraft.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat het hof het verweer slechts had kunnen verwerpen. Het arrest is gewezen door de vice-president en twee raadsheren en uitgesproken op 11 december 2018.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat vervolging van verdachte ondanks strafbeschikking tegen medeverdachte is toegestaan.