Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het tweede middel
mede-veroordeelde de feiten heeft gepleegd". Het middel klaagt daarover terecht.
3.Slotsom
4.Beslissing
4 december 2018.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin aan betrokkene een hoofdelijke betalingsverplichting werd opgelegd voor het gehele bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel, geschat op €102.304,-.
Het hof baseerde zijn oordeel op de bewezenverklaring dat betrokkene in nauwe en bewuste samenwerking met haar mede-veroordeelde de feiten had gepleegd. De Hoge Raad oordeelt dat dit onvoldoende is om zonder meer een hoofdelijke betalingsverplichting op te leggen, omdat dit alleen kan bij het bestaan van een 'gemeenschappelijk voordeel'.
De Hoge Raad herhaalt de relevante overwegingen uit eerdere jurisprudentie en benadrukt dat de ontnemingsmaatregel reparatoir van aard is en dat alleen het voordeel dat de betrokkene daadwerkelijk heeft behaald kan worden ontnomen.
Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest en wijst de zaak terug naar het hof Arnhem-Leeuwarden voor een nieuwe beoordeling van het geschil op het bestaande hoger beroep.
De uitspraak is gedaan door de vice-president en twee raadsheren op 4 december 2018.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest en wijst de zaak terug naar het hof voor hernieuwde beoordeling van de hoofdelijke betalingsverplichting.