Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
4.Beslissing
20 februari 2018.
Hoge Raad
De verdachte stelde cassatieberoep in tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag betreffende zijn verblijf in Nederland na een ongewenstverklaring. Het middel betrof de klacht dat de duur van de ongewenstverklaring de maximale duur van het inreisverbod volgens art. 11.2 van de Terugkeerrichtlijn zou hebben overschreden.
De Hoge Raad overwoog dat het middel niet tot cassatie kon leiden en dat geen nadere motivering nodig was omdat het middel geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling bevatte. Tevens constateerde de Hoge Raad dat de redelijke termijn van behandeling van het cassatieberoep was overschreden, maar gelet op de opgelegde voorwaardelijke straf en de mate van overschrijding geen rechtsgevolg aan deze overschrijding werd verbonden.
De Hoge Raad wees het beroep af en bevestigde daarmee het arrest van het hof. Het arrest werd gewezen door de vice-president en raadsheren tijdens een openbare terechtzitting op 20 februari 2018.
Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte wordt verworpen en het arrest van het hof bevestigd.