Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
4 december 2018.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep ingesteld door de verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag in een strafzaak over medeplegen van kraken en openlijke geweldpleging. Centrale juridische vraag was of er sprake was van beëindigd gebruik van een pand in de zin van artikel 138a van het Wetboek van Strafrecht, vanwege opzegging van een bruikleenovereenkomst door de rechthebbende, de gemeente.
De advocaat van de verdachte stelde een middel van cassatie voor, maar de Advocaat-Generaal adviseerde tot verwerping van het beroep. De Hoge Raad oordeelde dat het middel niet tot cassatie kon leiden en dat geen nadere motivering noodzakelijk was omdat het middel geen rechtsvragen opriep die van belang waren voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
Het arrest werd gewezen door de vice-president van de Hoge Raad, W.A.M. van Schendel, en de raadsheren A.J.A. van Dorst en Y. Buruma. Het beroep werd verworpen, waarmee het arrest van het gerechtshof in stand bleef. De uitspraak bevestigt de toepassing van artikel 81, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering in cassatiezaken.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de veroordeling voor medeplegen van kraken en openlijke geweldpleging.