Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
4 december 2018.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 11 juli 2017, waarin hij werd veroordeeld voor medeplegen van kraken en openlijke geweldpleging. De kernvraag was of er sprake was van beëindigd gebruik in de zin van artikel 138a Sr, door opzegging van de bruikleenovereenkomst door de gemeente als rechthebbende.
De advocaat van verdachte heeft een middel van cassatie ingediend, maar de Advocaat-Generaal concludeerde tot verwerping van het beroep. De Hoge Raad oordeelde dat het middel niet tot cassatie kon leiden en dat nadere motivering niet nodig was omdat het middel geen rechtsvragen opriep die van belang zijn voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
Het arrest van de Hoge Raad, gewezen op 4 december 2018, bevestigt daarmee het oordeel van het hof. De Hoge Raad wijst het beroep af en bevestigt de eerdere uitspraak in de strafzaak. De uitspraak werd gedaan door de vice-president en twee raadsheren, in aanwezigheid van de waarnemend griffier.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de veroordeling voor medeplegen kraken en openlijke geweldpleging.