ECLI:NL:HR:2018:2232

Hoge Raad

Datum uitspraak
4 december 2018
Publicatiedatum
3 december 2018
Zaaknummer
17/02314
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 311 SrArt. 81 ROArt. 6 EVRM
Verwijzingen
5 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt jeugdige medeplegen diefstal bij winkelcentrum Amsterdam

De zaak betreft een jeugdige verdachte die werd veroordeeld voor medeplegen van meermalige diefstal van een scooter en een fiets bij een winkelcentrum in Amsterdam. Het Gerechtshof Amsterdam had hem veroordeeld en de verdachte stelde beroep in cassatie bij de Hoge Raad.

De Hoge Raad beoordeelde het cassatieberoep en concludeerde dat de middelen van de verdediging niet tot cassatie konden leiden. Er was geen noodzaak tot nadere motivering omdat de rechtsvragen niet in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling waren.

Daarnaast oordeelde de Hoge Raad ambtshalve over de overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro. Hoewel de termijn meer dan 16 maanden was overschreden, achtte de Hoge Raad, gelet op de opgelegde taakstraffen en jeugddetentie, geen aanleiding om hieraan rechtsgevolgen te verbinden.

Uiteindelijk verwierp de Hoge Raad het cassatieberoep en bevestigde daarmee het arrest van het Gerechtshof Amsterdam. De uitspraak werd gedaan door de vice-president en raadsheren van de Strafkamer van de Hoge Raad op 4 december 2018.

Uitkomst: Hoge Raad bevestigt veroordeling jeugdige voor medeplegen diefstal en verwerpt cassatieberoep.

Uitspraak

4 december 2018
Strafkamer
nr. S 17/02314 J
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 9 mei 2017, nummer 23/002542-16, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2000.

1.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft M.M. Kuyp, advocaat te Utrecht, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal P.C. Vegter heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.Beoordeling van de middelen

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak

Op de verdachte is het strafrecht voor jeugdigen toegepast. De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan 16 maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Gelet op de aan de verdachte opgelegde taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen jeugddetentie, waarvan 50 uren subsidiair 25 dagen jeugddetentie voorwaardelijk, en een taakstraf in de vorm van een leerstraf voor de duur van 50 uren, subsidiair 25 dagen jeugddetentie, en de mate waarin de redelijke termijn is overschreden, is er geen aanleiding om aan het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden enig rechtsgevolg te verbinden en zal de Hoge Raad met dat oordeel volstaan.

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en V. van den Brink, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
4 december 2018.