Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Slotsom
4.Beslissing
4 december 2018.
Hoge Raad
De verdachte was niet verschenen bij de behandeling van het hoger beroep en had zich vergist in de zittingsdatum. Zijn niet-gemachtigde raadsman verzocht ter zitting om aanhouding van de zaak om de verdachte alsnog in de gelegenheid te stellen aanwezig te zijn. Het hof wees dit verzoek af met de motivering dat de vergissing van de verdachte voor eigen rekening kwam en dat de datum bekend was.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof bij de afwijzing van een verzoek tot aanhouding van de behandeling van een zaak een belangenafweging moet maken tussen het aanwezigheidsrecht van de verdachte en het belang van een spoedige berechting. Het hof had deze belangenafweging moeten motiveren, maar deed dit niet.
Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest en wijst de zaak terug naar het hof voor hernieuwde berechting, waarbij het hof de belangenafweging expliciet moet maken en motiveren. Dit arrest bevestigt de jurisprudentie over de procedure rond verzoeken tot aanhouding en benadrukt het belang van een zorgvuldige motivering.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting met belangenafweging.