ECLI:NL:HR:2018:2064

Hoge Raad

Datum uitspraak
6 november 2018
Publicatiedatum
7 november 2018
Zaaknummer
17/00730
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9.2 WVW 1994Art. 132.4 WVW 1994Art. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging en terugwijzing wegens onvoldoende bewijs ongeldigverklaring rijbewijs

De Hoge Raad behandelde het cassatieberoep van een verdachte die werd veroordeeld voor het rijden terwijl hij redelijkerwijs moest weten dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. Het geschil betrof de vraag of het besluit tot ongeldigverklaring aan de verdachte bekend was gemaakt, zoals vereist volgens artikel 132.4 WVW 1994.

De Advocaat-Generaal concludeerde dat de bewijsvoering onvoldoende was om vast te stellen dat de verdachte op het tijdstip van het rijden op de hoogte was van de ongeldigverklaring van zijn rijbewijs. De gebruikte bewijsmiddelen toonden geen enkele vorm van bekendmaking aan de verdachte.

De Hoge Raad volgde deze conclusie en oordeelde dat de bewezenverklaring onvoldoende gemotiveerd was. Daarom werd het bestreden arrest vernietigd en de zaak terugverwezen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden voor hernieuwde behandeling op het bestaande hoger beroep.

De uitspraak benadrukt het belang van een deugdelijke bewijsvoering omtrent de bekendmaking van besluiten in het strafrecht, met name bij administratieve sancties zoals ongeldigverklaring van rijbewijzen.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest en wijst de zaak terug voor hernieuwde behandeling wegens onvoldoende bewijs van bekendmaking van de ongeldigverklaring van het rijbewijs.

Uitspraak

6 november 2018
Strafkamer
nr. S 17/00730
ES
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, van 3 augustus 2016, nummer 21/000739-16, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1958.

1.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft T. van Assendelft de Coningh, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, opdat de zaak op het bestaande beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.
2. Beoordeling van het eerste middel
Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.Beoordeling van het tweede middel

3.1.
Het middel klaagt dat de bewezenverklaring ontoereikend is gemotiveerd.
3.2.
De bewezenverklaring en de bewijsvoering zijn weergegeven in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 10 tot en met 12.
3.3.
Op de gronden die zijn vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 13, is het middel terecht voorgesteld.

4.Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven en als volgt moet worden beslist.

5.Beslissing

De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak;
wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en M.J. Borgers, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
6 november 2018.