ECLI:NL:HR:2018:2062

Hoge Raad

Datum uitspraak
6 november 2018
Publicatiedatum
6 november 2018
Zaaknummer
17/03531
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 ROArt. 6 EVRM
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verwerpt cassatie in moordzaak wegens falende middelen en geen termijnoverschrijding

De zaak betreft een cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag in een moordzaak te Schiedam. De verdachte werd in hoger beroep veroordeeld en stelde cassatieberoep in bij de Hoge Raad. Namens verdachte diende advocaat H. Raza middelen van cassatie in. De Advocaat-Generaal concludeerde tot verwerping van het beroep.

De Hoge Raad beoordeelde de middelen en stelde vast dat de eerste en tweede middelen niet tot cassatie konden leiden. Deze middelen betroffen onder meer de beoordeling van voorbedachte raad en opzet, maar de Hoge Raad vond geen aanleiding tot nadere motivering omdat de middelen geen rechtsvragen opriepen die van belang zijn voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling.

Het derde middel klaagde over overschrijding van de redelijke termijn in cassatie, omdat de stukken te laat door het hof waren ingezonden. De Hoge Raad oordeelde echter dat de zaak binnen zestien maanden na het instellen van het cassatieberoep werd afgedaan, waardoor de overschrijding van de inzendtermijn voldoende werd gecompenseerd. Er was daarom geen sprake van een overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in art. 6 EVRM Pro.

De Hoge Raad besloot het cassatieberoep te verwerpen en bevestigde daarmee het arrest van het hof. Het arrest werd uitgesproken op 6 november 2018 door de vice-president en raadsheren van de strafkamer.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof wordt bevestigd.

Uitspraak

6 november 2018
Strafkamer
nr. S 17/03531
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 19 juli 2017, nummer 22/000674-16, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1959.

1.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft H. Raza, advocaat te Rotterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal A.J. Machielse heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.Beoordeling van het eerste en het tweede middel

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.Beoordeling van het derde middel

3.1.
Het middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.
3.2.
Nu de Hoge Raad de zaak binnen zestien maanden na het instellen van het cassatieberoep afdoet, waardoor de overschrijding van de inzendtermijn in voldoende mate wordt gecompenseerd, kan – wat betreft de totale duur van de behandeling in cassatie – niet worden gesproken van een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM.
3.3.
Het middel faalt derhalve.

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren A.J.A. van Dorst en M.J. Borgers, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P.J. Lugtenburg, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
6 november 2018.