Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
30 oktober 2018.
Hoge Raad
De zaak betreft een verzoek tot uitlevering van een persoon van Turkse nationaliteit naar Turkije vanwege veroordeling voor meervoudige zware mishandeling. De centrale vraag was of de uitleveringsrechter bevoegd is om te oordelen over een beroep op een (dreigende) schending van artikel 6 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), specifiek omdat de opgeëiste persoon in Turkije geen herzieningsverzoek heeft kunnen indienen.
De Rechtbank Den Haag heeft geoordeeld dat de aangevoerde gronden niet leiden tot de conclusie dat uitlevering ontoelaatbaar is, omdat niet kan worden vastgesteld dat sprake is van een voltooide flagrante schending van artikel 6 EVRM Pro. Dit oordeel is door de Hoge Raad niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd bevonden.
Het cassatieberoep van de opgeëiste persoon is verworpen, waarbij de Hoge Raad het oordeel van de rechtbank bevestigt en geen aanleiding ziet tot nadere motivering, mede op grond van artikel 81, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering. Hiermee blijft de uitlevering naar Turkije in stand.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de uitlevering naar Turkije blijft in stand.