Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
(...)
3.Beslissing
6 november 2018.
Hoge Raad
De zaak betreft een geënsceneerde overval bij een voetbalvereniging in Utrecht waarbij verdachte medeplichtig was aan medeplegen van verduistering in dienstbetrekking. Verdachte hield in een gereedstaande auto de motor draaiend en vervoerde een mededader met het verduisterde geldbedrag van de plaats delict.
De benadeelde partij, de werkgever van een van de daders, vorderde een schadevergoeding van €77.500,-. Het hof wees deze vordering toe en veroordeelde verdachte hoofdelijk aansprakelijk voor het gehele bedrag, met wettelijke rente vanaf 26 januari 2015. Verdachte stelde in cassatie dat deze veroordeling onbegrijpelijk was, onder meer omdat het geld niet bij de benadeelde partij was terechtgekomen.
De Hoge Raad oordeelde dat het materiële burgerlijk recht van toepassing is op de vordering en dat het hof terecht heeft geoordeeld dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld jegens het slachtoffer. Het hof heeft zijn beslissing toereikend gemotiveerd en de hoofdelijke aansprakelijkheid is passend geacht. Het cassatieberoep werd verworpen.
Uitkomst: Verdachte wordt hoofdelijk aansprakelijk gehouden voor €77.500,- schadevergoeding plus wettelijke rente.