Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het derde middel
3.Beoordeling van de overige middelen
4.Beslissing
6 november 2018.
Hoge Raad
De verdachte werd door het hof veroordeeld tot een gevangenisstraf van acht maanden, waarvan vier maanden voorwaardelijk, wegens zware mishandeling met ernstig lichamelijk letsel. De verdediging stelde dat het hof bij de strafmaat rekening had moeten houden met het feit dat de verdachte aanvankelijk was opgeroepen voor een TOM-zitting, waarbij maximaal 120 uur taakstraf kan worden opgelegd.
De Hoge Raad beoordeelde dat het hof niet verplicht was om dit standpunt als een uitdrukkelijk onderbouwd verweer in de zin van art. 359, tweede lid, tweede volzin Sv te behandelen. Het oordeel van het hof was niet onbegrijpelijk, mede omdat het standpunt onvoldoende met argumenten was onderbouwd. Bovendien leidde de eerdere oproep voor een TOM-zitting niet tot een bindende beperking van de strafeis door het Openbaar Ministerie.
De overige middelen van het cassatieberoep werden eveneens verworpen zonder nadere motivering, omdat zij geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling bevatten. De Hoge Raad bevestigde daarmee het arrest van het Gerechtshof Den Haag van 28 maart 2017.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling tot acht maanden gevangenisstraf, waarvan vier maanden voorwaardelijk.