Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Beoordeling van het tweede middel
4.Slotsom
5.Beslissing
30 oktober 2018.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag inzake valsheid in geschrift door een voormalig directeur van het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA). Het middel betrof onder meer de vraag of digitale agenda-afspraken als geschrift in de zin van art. 225 Sr Pro kunnen worden aangemerkt en of deze agenda een bewijsbestemming had binnen de organisatie.
De Hoge Raad oordeelde dat het eerste middel niet tot cassatie kon leiden en dat dit geen nadere motivering behoefde. Het tweede middel klaagde over overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in art. 6 EVRM Pro tijdens de cassatiefase, doordat stukken te laat door het hof waren ingezonden.
De Hoge Raad achtte dit middel gegrond en besloot daarom tot vermindering van de opgelegde taakstraf van honderd uren, subsidiair vijftig dagen hechtenis, naar 95 uren taakstraf en 47 dagen hechtenis. Voor het overige werd het beroep verworpen. De uitspraak werd gewezen door de vice-president en twee raadsheren op 30 oktober 2018.
Uitkomst: Vermindering van de taakstraf naar 95 uren en vervangende hechtenis naar 47 dagen wegens overschrijding van de redelijke termijn.