Uitspraak
Staatssecretaris van Financiëntegen de uitspraak van het
Gerechtshof Den Haagvan 13 januari 2015, nrs. BK-14/00254 en BK‑14/00255, na beantwoording van de door de Hoge Raad aan het Hof van Justitie van de Europese Unie gestelde vragen.
Hoge Raad
In deze zaak stond de vraag centraal of een valutaverlies op een deelneming die in een andere lidstaat is gevestigd, aftrekbaar is in de Nederlandse vennootschapsbelasting. De Hoge Raad heeft prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU), dat op 22 februari 2018 uitspraak deed in de zaken X B.V. en X N.V. (C-398/16 en C-399/16).
Het HvJ EU oordeelde dat de artikelen 49 en 54 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) niet in de weg staan aan een nationale regeling die waardeverliezen als gevolg van wisselkoersschommelingen op deelnemingen in andere lidstaten niet aftrekt, mits deze regeling ook niet symmetrisch meerwaarden uit die schommelingen belast.
Na ontvangst van dit arrest heeft de Hoge Raad het middel van belanghebbende gegrond verklaard en het arrest van het hof vernietigd. De Hoge Raad heeft vervolgens zelf de zaak afgedaan door de uitspraak van de rechtbank te bevestigen, waarin het beroep van belanghebbende ongegrond werd verklaard. De Hoge Raad zag geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Deze uitspraak bevestigt de nationale regeling in de vennootschapsbelasting dat valutaverliezen op deelnemingen in andere lidstaten niet aftrekbaar zijn, zolang er geen symmetrische belastingheffing van meerwaarden plaatsvindt.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat valutaverlies op een deelneming in een andere lidstaat niet aftrekbaar is onder de Nederlandse vennootschapsbelasting.