Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het tweede middel
3.Beoordeling van het eerste middel
4.Beslissing
16 oktober 2018.
Hoge Raad
Verdachte werd bewezenverklaard voor het opzettelijk telen van een groot aantal hennepplanten in een huurwoning te Rotterdam in de periode van augustus tot november 2014. Tijdens het hoger beroep verzocht de verdediging om aanhouding van de behandeling om stukken te overleggen die het verblijf van verdachte in Polen en de onderhuur van de woning zouden onderbouwen.
Het hof heeft dit verzoek afgewezen omdat het geen noodzaak zag voor schorsing van het onderzoek, gelet op het belang van het onderzoek. De Hoge Raad toetste dit oordeel en stelde vast dat het hof de juiste maatstaf heeft toegepast en dat het oordeel niet onbegrijpelijk is.
Het cassatieberoep faalt en wordt verworpen. Daarmee blijft het arrest van het hof in stand dat het verzoek tot aanhouding van de behandeling in hoger beroep afwees. De zaak betreft toepassing van artikel 331 lid 1 jo Pro. 328 Sv en artikel 281 lid 1 Sv Pro.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het verzoek tot aanhouding in hoger beroep afgewezen.