Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Slotsom
4.Beslissing
16 oktober 2018.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag waarin verdachte werd veroordeeld voor het rijden terwijl hij redelijkerwijs moest weten dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard, op grond van artikel 9.2 van de Wegenverkeerswet 1994.
De Hoge Raad heeft overwogen dat het enkele feit dat het besluit tot ongeldigverklaring van het rijbewijs aangetekend naar verdachte is verzonden, niet voldoende is om te concluderen dat verdachte redelijkerwijs op de hoogte moest zijn van deze ongeldigverklaring. Dit oordeel is gebaseerd op eerdere rechtspraak van de Hoge Raad.
De Advocaat-Generaal concludeerde tot vernietiging van het arrest en terugwijzing van de zaak naar het hof voor een nieuwe beoordeling. De Hoge Raad volgt deze conclusie en vernietigt het arrest, waarna de zaak terug wordt verwezen naar het Gerechtshof Den Haag voor hernieuwde behandeling van het hoger beroep.
Het arrest is gewezen door de vice-president en twee raadsheren en uitgesproken in een openbare terechtzitting op 16 oktober 2018.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde behandeling.