ECLI:NL:HR:2018:190

Hoge Raad

Datum uitspraak
13 februari 2018
Publicatiedatum
13 februari 2018
Zaaknummer
16/05281
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 359 SvArt. 365a SvArt. 4.8.2 Procesreglement Hoge Raad der Nederlanden
Verwijzingen
5 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging en terugwijzing wegens ontbreken van bewijsmiddelen in arrest

De verdachte stelde beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag uit 2006. De Hoge Raad beoordeelde dat het bestreden arrest niet voldeed aan de wettelijke vereiste dat het arrest de bewijsmiddelen moet bevatten die de bewezenverklaring ondersteunen.

De verdediging klaagde terecht dat het arrest niet de gebruikte bewijsmiddelen bevatte, en ook was geen aanvulling opgemaakt zoals voorgeschreven in de wet. Dit is een ernstig procesrechtelijk gebrek dat leidt tot nietigheid van het arrest.

De Advocaat-Generaal concludeerde tot vernietiging en terugwijzing van de zaak naar het hof voor hernieuwde berechting. De Hoge Raad volgde dit advies en vernietigde het arrest, wijzend de zaak terug naar het Gerechtshof Den Haag of een aangrenzend hof om het hoger beroep opnieuw te behandelen.

De uitspraak werd gedaan door de Strafkamer van de Hoge Raad op 13 februari 2018 onder nummer 16/05281, waarbij de vice-president en twee raadsheren het arrest uitspraken.

Uitkomst: Het arrest wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting.

Uitspraak

13 februari 2018
Strafkamer
nr. S 16/05281
ES
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 27 oktober 2006, nummer 22/006536-04, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971.

1.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft C.A. Lucardie, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal W.H. Vellinga heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Den Haag dan wel verwijzing van de zaak naar een aangrenzend hof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De raadsvrouwe heeft daarop schriftelijk gereageerd.
2 Beoordeling van het vijfde middel
2.1.
Het middel klaagt dat het Hof heeft verzuimd het verkorte arrest aan te vullen met de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen.
2.2.
Bij de aan de Hoge Raad gezonden stukken bevindt zich het bestreden arrest, hetwelk niet de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen bevat. Bij die stukken bevindt zich niet een aanvulling als bedoeld in art. 365a, tweede lid, Sv houdende de gebezigde bewijsmiddelen.
2.3.
De raadsvrouwe van de verdachte heeft op de voet van art. 4.8.2. van het Procesreglement Hoge Raad der Nederlanden verzocht om toezending van bedoelde aanvulling. Het Gerechtshof heeft aan de Hoge Raad bericht dat zo een aanvulling niet is opgemaakt.
2.4.
Volgens art. 359, derde en achtste lid, Sv moet een arrest op straffe van nietigheid de bewijsmiddelen bevatten, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Het bestreden arrest voldoet niet aan dit vereiste en kan daarom niet in stand blijven.
2.5.
Het middel is terecht voorgesteld.

3.Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven, de overige middelen geen bespreking behoeven en als volgt moet worden beslist.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak;
wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Den Haag, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en M.J. Borgers, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
13 februari 2018.