Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
9 januari 2018.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam waarin hij werd veroordeeld voor het opzettelijk verijdelen van veiligheidsmaatregelen bij een elektriciteitswerk ten behoeve van een hennepkwekerij. De stroom werd illegaal afgetapt buiten de elektriciteitsmeter en aardlekschakelaar om, wat leidde tot een brandgevaarlijke situatie.
De bewijsmiddelen omvatten onder meer processen-verbaal van bevindingen, verklaringen van buren, een onderzoek van een fraudespecialist van Liander N.V., en de verklaring van verdachte zelf. Uit deze bewijzen bleek dat de hennepkwekerij was gevestigd in twee slaapkamers van een hoekpand op de derde etage van een portiekflat met houten vloeren, waarbij aangrenzende woningen bewoond waren, onder andere door een gepensioneerde buurman die veel thuis was.
Het hof oordeelde dat het levensgevaar voor anderen voorzienbaar was volgens algemene ervaringsregels, mede vanwege de brandgevaarlijke situatie door de illegale stroomvoorziening en de bewoonde omgeving. De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verwierp het cassatieberoep, waarbij het belang van de voorzienbaarheid van levensgevaar centraal stond.
De Hoge Raad benadrukte dat levensgevaar als bedoeld in art. 161bis Sr alleen kan worden aangenomen indien uit wettige bewijsmiddelen blijkt dat het gevaar voorzienbaar was ten tijde van het verijdelen van de veiligheidsmaatregelen. In deze zaak was dat het geval, waardoor de bewezenverklaring standhield.
De Hoge Raad wees het beroep af en handhaafde de veroordeling van verdachte voor het opzettelijk verijdelen van veiligheidsmaatregelen met levensgevaar voor anderen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat levensgevaar bij illegale stroomaftap voor een hennepkwekerij in een portiekflat voorzienbaar was.