Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het tweede en het derde middel
3.Beoordeling van het eerste middel
4.Slotsom
5.Beslissing
9 oktober 2018.
Hoge Raad
De Hoge Raad behandelde het cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch in een strafzaak over medeplegen moord en overtreding van de Opiumwet. De advocaat-generaal had geconcludeerd tot vermindering van de straf en verwerping van het beroep voor het overige.
De Hoge Raad oordeelde dat de middelen van cassatie niet tot cassatie konden leiden, behalve het middel dat klaagde over overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in art. 6 EVRM Pro. Dit middel werd gegrond verklaard omdat de stukken te laat door het hof waren ingezonden en meer dan zestien maanden waren verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep, terwijl verdachte in voorlopige hechtenis verbleef.
Als gevolg daarvan werd de opgelegde gevangenisstraf verminderd van zestien jaar naar vijftien jaar en zes maanden. De overige klachten werden verworpen en de rest van het arrest bleef in stand. Het arrest werd uitgesproken door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad op 9 oktober 2018.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd tot vijftien jaar en zes maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn in cassatie.