Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
2 oktober 2018.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag inzake medeplegen van handel in cocaïne. Het hof had een gevangenisstraf van 22 maanden opgelegd, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, mede vanwege overschrijding van de redelijke termijn.
De verdachte stelde in cassatie onder meer vragen over de toepassing van de VI-regeling en de verhouding tussen onvoorwaardelijke en gedeeltelijk voorwaardelijke gevangenisstraffen. De Hoge Raad oordeelde dat de VI-regeling ertoe leidt dat een onvoorwaardelijke straf van 22 maanden in beginsel korter is dan een straf van 22 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk is.
Verder wees de Hoge Raad op het ontbreken van innerlijke tegenstrijdigheid tussen de strafmotivering en het dictum van het hof. De aangevoerde feiten en omstandigheden voor het achterwege laten van een voorwaardelijk deel van de straf waren door het hof kennelijk en niet onbegrijpelijk als te licht beoordeeld.
Het cassatieberoep werd verworpen zonder nadere motivering, omdat het middel niet tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling noopt.
Uitkomst: Hoge Raad verwerpt cassatieberoep en bevestigt gedeeltelijk voorwaardelijke gevangenisstraf met toepassing VI-regeling.