Uitspraak
1.Geding in cassatie
€ 10.000,00
€ 4.196,00
€ 625,00
€ 16.160,00
€ 177.684,00
€ 492.993,00
3.Beslissing
18 september 2018.
Hoge Raad
De Hoge Raad behandelde een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden over een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Het hof had het voordeel geschat op basis van een kasopstelling, waarbij ook een contant geldbedrag van €81.919,- werd betrokken dat betrokkene bij zich had. Betrokkene was in de strafzaak voor dat bedrag deels ontslagen van alle rechtsvervolging omdat het geld afkomstig was uit een eigen misdrijf en niet als witwassen kon worden gekwalificeerd.
De Hoge Raad oordeelde dat het partiële ontslag van rechtsvervolging niet in de weg staat aan ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel uit een eigen misdrijf. De kasopstelling is een toegestane methode voor de schatting van het voordeel onder art. 36e lid 3 Sr. Het hof heeft geen onjuiste rechtsopvatting gehanteerd door het contante bedrag mee te nemen in de berekening.
Het beroep van betrokkene werd verworpen. De Hoge Raad bevestigde daarmee de rechtspraak dat bij ontneming ook voordeel uit andere strafbare feiten kan worden betrokken zonder dat deze feiten afzonderlijk hoeven te worden bewezen. Dit arrest sluit aan bij eerdere jurisprudentie over de toepassing van kasopstellingen en de verhouding tussen ontslag van rechtsvervolging en ontneming.
De uitspraak verduidelijkt dat het ontbreken van een kwalificatie als witwassen wegens eigen misdrijf niet betekent dat het geld geen criminele herkomst heeft en dat ontneming daarvan mogelijk blijft. De Hoge Raad benadrukt het belang van een juiste en volledige berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel bij ontnemingsvorderingen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de ontneming van €231.059,- wederrechtelijk verkregen voordeel.