Uitspraak
1.De uitspraken waarvan herziening is gevraagd
2.De aanvraag tot herziening
3.Beoordeling van de aanvraag
4.Beslissing
6 februari 2018.
Hoge Raad
De zaak betreft een aanvraag tot herziening van twee in kracht van gewijsde gegane vonnissen van de Politierechter te Maastricht, waarbij de aanvrager was veroordeeld voor opzettelijk gebruik van vervalst geschrift, niet voldoen aan ambtelijk bevel, wederspannigheid en rijden zonder rijbewijs.
De Hoge Raad beoordeelde of de aanvraag tot herziening voldeed aan de wettelijke eisen van art. 457 lid 1 sub c en Pro art. 460 Sv Pro, die vereisen dat een aanvraag nauwkeurig omschrijft welk nieuw gegeven (novum) bij het oorspronkelijke onderzoek niet bekend was en dat dit gegeven ernstige twijfel wekt over de rechtmatigheid van de veroordeling.
De Hoge Raad stelde dat de aanvraag onvoldoende gemotiveerd was, omdat zij niet nauwkeurig het novum omschreef, noch de redenen vermeldde waarom dit tot een vrijspraak, ontslag van rechtsvervolging of toepassing van een minder zware straf had kunnen leiden. Hierdoor kon de Hoge Raad de gegrondheid niet adequaat beoordelen.
Daarom verklaarde de Hoge Raad de aanvraag niet-ontvankelijk en bleef deze buiten behandeling. Dit arrest bevestigt de strikte motiveringseisen voor herzieningsaanvragen en de beperkte toetsingsruimte van de Hoge Raad bij dergelijke verzoeken.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de aanvraag tot herziening niet-ontvankelijk wegens tekortschietende motivering.