Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
11 september 2018.
Hoge Raad
De zaak betreft het onthouden van de nodige verzorging aan twee pony’s en 372 lammeren, waarbij de dieren in uitgemergelde toestand werden gehouden, onder meer door de pony’s op een rooster of hangend in takels te plaatsen, en de lammeren bij lage temperaturen te laten onderkoelen. Daarnaast werden in hun nabijheid grote hoeveelheden kadavers van lammeren bewaard en kregen zij onvoldoende drinkgelegenheden, waardoor uitdroging optrad. Dit alles is in strijd met artikel 37 van Pro de Gezondheids- en Welzijnswet voor dieren.
De verdachte stelde cassatieberoep in tegen het arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, waarin hij werd veroordeeld. De advocaat-generaal concludeerde tot aanpassing van de bewezenverklaring, maar tot verwerping van het beroep voor het overige. De Hoge Raad oordeelde dat het middel niet tot cassatie kon leiden en dat geen nadere motivering noodzakelijk was, omdat het middel geen rechtsvragen opriep die van belang waren voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
Het arrest van de Hoge Raad bevestigt daarmee de eerdere uitspraak van het hof. De Hoge Raad wees het beroep af en handhaafde de veroordeling wegens dierenmishandeling. De uitspraak werd gedaan door de vice-president en twee raadsheren, in aanwezigheid van de waarnemend griffier, tijdens een openbare terechtzitting.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof wordt gehandhaafd.