Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Beoordeling van het tweede middel
4.Slotsom
5.Beslissing
11 september 2018.
Hoge Raad
In deze zaak stond verdachte terecht voor medeplegen van het voorbereiden en bevorderen van het opzettelijk vervoeren en binnen Nederland brengen en doorvoeren van drugs, alsmede vernieling. Het Gerechtshof Den Haag had verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 36 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk.
Verdachte stelde cassatieberoep in tegen dit arrest, waarbij onder meer werd geklaagd over een schending van het recht op een redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro. De Advocaat-Generaal concludeerde tot vernietiging van het arrest, maar alleen wat betreft de duur van de straf, met vermindering daarvan.
De Hoge Raad oordeelde dat het eerste middel niet tot cassatie kon leiden, maar dat het tweede middel gegrond was omdat de stukken te laat waren ingezonden, waardoor de redelijke termijn was overschreden. Dit leidde tot vermindering van de gevangenisstraf van 36 naar 35 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.
De rest van het beroep werd verworpen. De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof uitsluitend voor wat betreft de strafduur en stelde de straf dienovereenkomstig vast.
Uitkomst: De gevangenisstraf is verminderd van 36 naar 35 maanden vanwege overschrijding van de redelijke termijn.