Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Beoordeling van het tweede middel
4.Slotsom
5.Beslissing
11 september 2018.
Hoge Raad
De zaak betreft het beroep in cassatie van een verdachte die werd veroordeeld voor medeplegen van het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van een container met 8000 kg cocaïne, alsmede het voorbereiden en bevorderen van dit feit. De verdachte was door het gerechtshof Den Haag veroordeeld tot een gevangenisstraf van 48 maanden.
In cassatie werd onder meer geklaagd over de overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM, vanwege het te laat aanleveren van stukken door het hof. De Hoge Raad oordeelde dat deze klacht gegrond was en dat dit moest leiden tot vermindering van de opgelegde straf.
De Hoge Raad vernietigde daarom het arrest van het hof uitsluitend voor wat betreft de duur van de straf en verminderde deze tot 46 maanden. Het beroep werd voor het overige verworpen. De uitspraak werd gedaan door de vice-president en twee raadsheren tijdens een openbare terechtzitting.
Uitkomst: De gevangenisstraf werd verminderd van 48 naar 46 maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase.