Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het vijfde middel
3.Beoordeling van de overige middelen
4.Slotsom
5.Beslissing
30 januari 2018.
Hoge Raad
De zaak betreft een verdachte die als bestuurder van een onderneming verkoopfacturen vervalste en op basis daarvan onjuiste aangiften omzetbelasting deed, wat leidde tot vervolging wegens valsheid in geschrift en opzettelijk onjuist doen van aangifte omzetbelasting.
De Hoge Raad behandelde het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De Advocaat-Generaal concludeerde tot vernietiging van het arrest uitsluitend wat betreft de strafmaat, met verwerping van het beroep voor het overige.
Een belangrijk punt in cassatie was de overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro, doordat stukken te laat door het hof waren ingezonden. De Hoge Raad achtte dit gegrond en besloot daarom de opgelegde gevangenisstraf van achttien maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk, te verminderen tot zeventien maanden en een week, met behoud van de voorwaardelijke straf en proeftijd.
De overige middelen van cassatie werden verworpen omdat deze geen aanleiding gaven tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling. De Hoge Raad vernietigde het arrest dus alleen wat betreft de strafmaat en handhaafde het verder.
De uitspraak werd gedaan door de vice-president en twee raadsheren op 30 januari 2018.
Uitkomst: De gevangenisstraf werd verminderd tot zeventien maanden en een week, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.