Uitspraak
wonende in Sint Maarten,
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
13 juli 2018.
Hoge Raad
In deze zaak staat centraal of kort na de echtscheiding in 1985 al sprake was van feitelijke verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap tussen ex-echtgenoten woonachtig in Sint Maarten. Het geschil werd behandeld door het gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten en het gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba. De Hoge Raad verwijst naar de vonnissen van deze instanties voor het gedingverloop.
Verzoekster stelde beroep in cassatie in tegen het vonnis van het hof, waarin haar vordering werd afgewezen. Verweerders in cassatie hebben geen verweerschrift ingediend. De Advocaat-Generaal adviseerde het cassatieberoep te verwerpen.
De Hoge Raad oordeelt dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie kunnen leiden en dat geen nadere motivering nodig is omdat geen rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling aan de orde zijn. Het beroep wordt verworpen en partijen dragen ieder hun eigen kosten van het cassatiegeding.
Deze uitspraak bevestigt daarmee de eerdere beslissingen van de lagere instanties en sluit het geschil over de feitelijke verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap af.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de eerdere uitspraak blijft in stand.