Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de middelen
3.Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
4.Slotsom
5.Beslissing
10 juli 2018.
Hoge Raad
De verdachte stelde beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De Hoge Raad oordeelde dat de middelen van cassatie niet tot vernietiging konden leiden, maar constateerde dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM Pro was overschreden doordat meer dan twee jaar waren verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep.
Deze overschrijding leidde tot ambtshalve vermindering van de opgelegde taakstraf van 120 uren en de vervangende hechtenis van 60 dagen. De Hoge Raad vernietigde het bestreden arrest voor zover het de strafomvang betreft en stelde de taakstraf vast op 114 uren en de vervangende hechtenis op 57 dagen.
Het beroep werd voor het overige verworpen. De uitspraak werd gedaan door de vice-president en twee raadsheren van de Hoge Raad tijdens een openbare terechtzitting op 10 juli 2018.
Uitkomst: De taakstraf werd verminderd tot 114 uren en de vervangende hechtenis tot 57 dagen wegens overschrijding van de redelijke termijn.