Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de middelen
3.Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
4.Slotsom
5.Beslissing
10 juli 2018.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, waarin de verdachte werd veroordeeld voor doodslag en poging tot doodslag. De verdachte was in voorlopige hechtenis en werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van twaalf jaren.
De advocaat van de verdachte stelde middelen van cassatie voor, waaronder het beroep op noodweerexces en bezwaren tegen de strafmotivering en samenloop van straffen. De Advocaat-Generaal concludeerde tot vernietiging van het vonnis, maar uitsluitend wat betreft de duur van de straf, met vermindering van de straf en verwerping van het beroep voor het overige.
De Hoge Raad oordeelde dat de middelen niet tot cassatie konden leiden en dat het beroep op noodweerexces en andere aangevoerde gronden niet onjuist of onbegrijpelijk waren. Wel werd vastgesteld dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro was overschreden, omdat meer dan zestien maanden waren verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep.
Dit leidde tot de ambtshalve vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van twaalf jaren naar elf jaren en acht maanden. Het beroep in cassatie werd voor het overige verworpen. De uitspraak werd op 10 juli 2018 door de Hoge Raad gewezen.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd van twaalf jaar naar elf jaar en acht maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn.