Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Beoordeling van het vierde namens de verdachte voorgestelde middel
4.Beoordeling van het namens de benadeelde partij voorgestelde middel
5.Slotsom
6.Beslissing
3 juli 2018.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag in een strafzaak over meermalen gepleegde mensenhandel (art. 273f Sr). De verdachte stelde meerdere klachten voor, waaronder dat het arrest innerlijk tegenstrijdig was vanwege een partiële vrijspraak, dat het hof misbruik van een kwetsbare positie onvoldoende had bewezen en dat ten onrechte geen voortgezette handeling was aangenomen.
De Hoge Raad oordeelde dat de eerste drie klachten niet tot cassatie konden leiden, omdat deze geen rechtsvragen opriepen die van belang waren voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling. Wel werd geoordeeld dat de redelijke termijn zoals bedoeld in art. 6 EVRM Pro in de cassatiefase was overschreden doordat stukken te laat door het hof waren ingezonden.
Deze overschrijding leidde tot een vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van 48 maanden (waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar) naar 46 maanden, met dezelfde voorwaarden. Het beroep werd voor het overige verworpen. De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof uitsluitend voor zover het de strafduur betrof en bevestigde het verder ongewijzigd.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd van 48 naar 46 maanden vanwege overschrijding van de redelijke termijn.