Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste en het tweede middel
3.Beslissing
3 juli 2018.
Hoge Raad
Verdachte werd door het hof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld voor medeplegen van oplichting via Marktplaats in de periode van maart tot juni 2012. Hij verkocht samen met zijn moeder mobiele telefoons en Eftelingkaartjes met valse namen en gebruikte haar bankrekening. De moeder verzond nepzendingen.
Het hof stelde vast dat verdachte de advertenties plaatste, contact met kopers onderhield en na transacties onvindbaar was via de verstrekte contactgegevens. De werkwijze was bedrieglijk en gericht op het bemoeilijken van traceerbaarheid en het verkrijgen van geldbedragen van kopers zonder levering.
Verdachte voerde verweren aan tegen de bewezenverklaring, maar het hof achtte de bewijsmiddelen betrouwbaar, waaronder aangiften, verklaringen van gedupeerden, bankgegevens en verhoren. Het hof concludeerde dat verdachte voorwaardelijk opzet had en voldoende gewicht droeg aan het medeplegen.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof het bewijs en de feiten zorgvuldig heeft gewogen en dat het oordeel over medeplegen en opzet toereikend gemotiveerd is. Het cassatieberoep wordt verworpen en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting op basis van het bestaande hoger beroep.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt het hof dat verdachte medepleger is van oplichting via Marktplaats.