Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
3 juli 2018.
Hoge Raad
In deze strafzaak stond de vraag centraal of het geweld dat de verdachte samen met anderen pleegde in de voortuin van een woning aan de openbare weg als 'openlijk' in de zin van art. 141, eerste lid, Sr kan worden aangemerkt. Het hof had vastgesteld dat het geweld plaatsvond in de voortuin van de woning gelegen aan de openbare weg, en op basis daarvan geoordeeld dat sprake was van openlijk geweld.
De verdachte stelde in cassatie dat het hof een onjuiste uitleg had gegeven aan het begrip 'openlijk' en dat de bewezenverklaring onvoldoende was gemotiveerd. De Hoge Raad overwoog dat de term 'openlijk' in de tenlastelegging en bewezenverklaring dezelfde betekenis moet hebben als in art. 141 Sr Pro en dat het hof voldoende had gemotiveerd waarom het geweld als openlijk moest worden beschouwd.
Het hof had op basis van verklaringen van aangevers vastgesteld dat de verdachte en medeverdachten de voortuin van de woning betraden en daar het geweld pleegden tegen meerdere slachtoffers. De Hoge Raad vond dat dit oordeel niet getuigde van een onjuiste rechtsopvatting en dat het middel faalde.
De Hoge Raad verwerpt daarom het cassatieberoep en bevestigt het arrest van het hof waarin de verdachte werd veroordeeld voor openlijke geweldpleging in vereniging.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling voor openlijke geweldpleging in vereniging in de voortuin van een woning aan de openbare weg.