ECLI:NL:HR:2018:1009

Hoge Raad

Datum uitspraak
26 juni 2018
Publicatiedatum
26 juni 2018
Zaaknummer
16/03481
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 ROArt. 6 EVRMArt. 417bis.1.a Sr
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt overschrijding redelijke termijn bij schuldheling zaak

In deze zaak stond verdachte terecht voor schuldheling met betrekking tot de aankoop van een boot, waarbij werd beoordeeld of hij met de vereiste aanmerkelijke onvoorzichtigheid had gehandeld. Het cassatieberoep richtte zich onder andere op de overschrijding van de redelijke termijn in de procedure.

De Hoge Raad constateerde dat de stukken te laat door het hof waren ingezonden, waardoor de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro was overschreden. Ondanks deze constatering werd geen rechtsgevolg aan deze overschrijding verbonden, mede gelet op de opgelegde geldboete van € 750,- of subsidiair 15 dagen hechtenis.

Het cassatieberoep werd uiteindelijk verworpen. De Hoge Raad gaf aan dat het eerste middel geen cassatiegrond bood en dat het tweede middel wel gegrond was wat betreft termijnoverschrijding, maar dat dit niet tot een andere beslissing leidde.

De uitspraak benadrukt het belang van tijdige procedurele afhandeling, maar ook de proportionaliteit bij het verbinden van rechtsgevolgen aan termijnoverschrijdingen.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen ondanks overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

26 juni 2018
Strafkamer
nr. S 16/03481
ARA/NA
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 30 juni 2016, nummer 20/002458-14, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1935.

1.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben R.J. Baumgardt en P. van Dongen, beiden advocaat te Rotterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De plaatsvervangend Advocaat-Generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot constatering dat de redelijke termijn is overschreden en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2. Beoordeling van het eerste middel
Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.Beoordeling van het tweede middel

3.1.
Het middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.
3.2.
Het middel is gegrond. Gelet op de aan de verdachte opgelegde geldboete van € 750,-, subsidiair 15 dagen hechtenis, en de mate waarin de redelijke termijn is overschreden, is er geen aanleiding om aan het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden enig rechtsgevolg te verbinden en zal de Hoge Raad met dat oordeel volstaan.

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren M.J. Borgers en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
26 juni 2018.