Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
23 mei 2017.
Hoge Raad
De verdachte heeft beroep in cassatie ingesteld tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag. Namens de verdachte heeft een advocaat een schriftuur ingediend, maar deze is pas na afloop van de wettelijke termijn bij de Hoge Raad ontvangen.
De Advocaat-Generaal heeft geconcludeerd dat de verdachte niet-ontvankelijk moet worden verklaard vanwege het niet naleven van de termijn zoals voorgeschreven in artikel 437, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering.
De Hoge Raad heeft vervolgens het beroep van de verdachte niet-ontvankelijk verklaard omdat de wettelijke voorschriften omtrent tijdige indiening niet zijn nageleefd. Dit arrest is uitgesproken tijdens een openbare terechtzitting op 23 mei 2017.
Uitkomst: De verdachte is niet-ontvankelijk verklaard in het cassatieberoep wegens het te laat indienen van de middelen.