ECLI:NL:HR:2017:877

Hoge Raad

Datum uitspraak
28 februari 2017
Publicatiedatum
12 mei 2017
Zaaknummer
16/04803
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Artikel 80a RO-zaken
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 80a Wet op de rechterlijke organisatieArt. 338 SvArt. 341 SvArt. 350 SvArt. 359 Sv
Verwijzingen
5 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep wegens onvoldoende belang bij medeplegen hennepkwekerij

De verdachte werd door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld voor medeplegen van hennepteelt in de periode van 1 maart tot 12 april 2010 te Sint Jacobi parochie. Tegen dit arrest stelde de verdachte cassatieberoep in, met als kernklacht dat het hof zijn uitdrukkelijk onderbouwde standpunten over onvoldoende actieve betrokkenheid bij de hennepkwekerij ongemotiveerd had gepasseerd.

De Hoge Raad overwoog dat actieve betrokkenheid vereist is voor medeplegen en dat het enkel wonen in de woning of het verrichten van hand- en spandiensten onvoldoende bewijs vormt voor een actieve rol. De enkele wetenschap van de hennepkwekerij of diefstal van stroom is ontoereikend om medeplegen aan te nemen.

De Hoge Raad stelde vast dat de aangevoerde klachten geen cassatiebehandeling rechtvaardigen, omdat het belang van de verdachte onvoldoende is en de klachten niet tot cassatie kunnen leiden. Daarom werd het beroep niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie.

Het arrest benadrukt de jurisprudentie waarin zelfs hand- en spandiensten niet leiden tot bewezenverklaring van medeplegen hennepkwekerij en bevestigt dat het hof voldoende gemotiveerd heeft geoordeeld. Hiermee blijft de veroordeling van de verdachte in stand.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende belang en onvoldoende gronden voor cassatie.

Uitspraak

28 februari 2017
Strafkamer
nr. S 16/04803
NA
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, van 19 oktober 2015, nummer 21/003424-14, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1962.

1.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft M.R. van der Pol, advocaat te Leeuwarden, een schriftuur ingediend. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.
De Hoge Raad zal daarom – gezien art. 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en gehoord de Procureur-Generaal – het beroep niet-ontvankelijk verklaren.

3. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren H.A.G. Splinter-van Kan en Y. Buruma, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
28 februari 2017.
Schriftuur houdende middelen van cassatie
In de zaak van [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1962 en wonende [woonplaats] , verzoeker tot cassatie van het door het Gerechtshof te Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden op 19 oktober 2015 met parketnummer 21-003424-14, uitgesproken arrest.
Middel
Het recht - in het bijzonder 338, 341, 350, 359 Wetboek van Strafvordering- is geschonden en/of j naleving is verzuimd van op straffe van nietigheid in acht te nemen vormvoorschriften, doordat het j Gerechtshof ten onrechte de uitdrukkelijk onderbouwde standpunten ongemotiveerd hebben gepasseerd en daardoor ten onrechte bewezen heeft verklaard - t.l.l. 3 - handelen in strijd met art 3 Opiumwet Pro, gepleegd op 1 maart 2010-12 april 2010 te Sint Jacobi parochie onder oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 20 weken (en de toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen).
[verdachte] werd zowel door de Rechtbank als door het Gerechtshof veroordeeld terzake: Tll. 1 (Hennepteelt en Tll. 3. Hennepteelt 1 maart 2010-12 april 2010 te Sint Jacobi parochie. [verdachte] is het oneens met bewezenverklaring van tll. 3 en wenst dat in cassatie te laten toetsen.
Ten onrechte heeft het Gerechtshof de uitdrukkelijk onderbouwde standpunten van verdachte [verdachte] niet of onvoldoende gemotiveerd gepasseerd en ten onrechte tll.3 bewezenverklaard. Het Gerechtshof heeft op een onbegrijpelijke wijze de standpunten van [verdachte] gepasseerd en heeft geen duidelijke overweging gemaakt met betrekking tot het komen tot een bewezenverklaring van tll 3.
De lijn in de jurisprudentie is als volgt:
1. Er is actieve betrokkenheid voor medeplegen van hennepkwekerij vereist (quod non).
Dat verdachte in woning woonde is geen bewijs voor actieve rol. Rb 8 okt. 2013; RB LIM 2013;7581 (nr. 50)
2. Enkele wetenschap (‘if any’) is onvoldoende (Gerechtshof L’den 25 juli 2011, LJN BR 2942)
3. HR 14 okt. 2014; verdachte had met zijn echtgenote over teelt gesproken en heeft niet getracht echtgenote van voornemen af te houden. Onvoldoende grond voor nauwe en bewuste samenwerking, (nr. 62)
4. Hof 27 mei 2015 GHSHE;2015, 1926: Zelfs hand en spandiensten (sjouwen planken en af en toe kijken in kwekerij) van onvoldoende gewicht om te komen tot medeplegen hennepkwekerij. Enkele wetenschap van diefstal stroom is teven onvoldoende.
Ten aanzien van feit 3 (hennepteelt 1 maart 2010-12 april 2010) heeft het Gerechtshof de uitdrukkelijk onderbouwde standpunten van verdachte ongemotiveerd gepasseerd. Dit is onbegrijpelijk. De verdachte heeft aangevoerd dat hij hand- en span diensten verleende en betrokken was bij de opbouw van de hennepkwekerij. [verdachte] heeft expliciet gesteld nimmer exploitant te zijn geweest van de hennepkwekerij. Verdachte heeft alleen ‘hand en spandiensten’ verleend hetgeen niet kan leiden tot bewezenverklaring van de t.l.l. 3 als zijnde van ‘onvoldoende gewicht om te komen tot medeplegen van hennepteelt’.
Gelet op het bovenstaande kan het hem ten laste gelegde (tll) 3 niet wettig en overtuigend worden bewezenverklaard, althans is door het Hof onvoldoende gemotiveerd (art. 359 Sv Pro) waarom dat in de gegeven situatie anders zou zijn, althans is dat onbegrijpelijk, hetgeen tot cassatie zou moeten leiden.