Uitspraak
1.De bestreden uitspraak
2.Geding in cassatie
3.Beoordeling van de middelen
4.Beslissing
9 mei 2017.
Hoge Raad
De Rechtbank Den Haag verklaarde de uitlevering van de opgeëiste persoon aan de Verenigde Staten toelaatbaar ter strafvervolging op basis van de feiten zoals omschreven in de Affidavit van de Amerikaanse aanklager.
De opgeëiste persoon stelde cassatieberoep in tegen deze uitspraak, waarbij werd betwist of de stukken voldoende duidelijk waren en of aan de dubbele strafbaarheid was voldaan.
De Advocaat-Generaal adviseerde tot verwerping van het beroep. De Hoge Raad oordeelde dat de middelen niet tot cassatie konden leiden en dat geen nadere motivering nodig was, waarna het beroep werd verworpen.
De uitspraak bevestigt dat de uitlevering in overeenstemming is met artikel 81, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering en dat de procedure correct is gevolgd.
Het arrest werd gewezen door de vice-president en raadsheren van de Strafkamer en uitgesproken tijdens een openbare terechtzitting.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de toelaatbaarheid van de uitlevering aan de Verenigde Staten.