Uitspraak
1. Geding in cassatie
2. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
28 februari 2017.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch waarin het hof het verzoek van de verdediging om een getuige opnieuw te horen, heeft afgewezen. De verdediging stelde dat zij niet in het bezit was van een brief die de betrouwbaarheid van de getuige betrof en daardoor geen adequate ondervraging kon uitvoeren.
De Hoge Raad oordeelde dat de klachten onvoldoende belang hadden of niet tot cassatie konden leiden en verklaarde het beroep niet-ontvankelijk. In het arrest is onder meer overwogen dat het hof ten onrechte aannam dat de verdediging de brief in bezit had tijdens de eerdere ondervraging, en dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het verzoek tot hernieuwd horen van de getuige werd afgewezen.
Daarnaast is geoordeeld dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het verweer dat de verklaring van de getuige onbetrouwbaar zou zijn, werd verworpen. Dit leidt tot nietigheid van het arrest wegens schending van artikel 359 lid 2 Sv Pro. De Hoge Raad vernietigt het arrest en verwijst de zaak terug voor verdere behandeling.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard vanwege gebrek aan belang en onvoldoende motivering van het hof leidt tot vernietiging van het arrest.