Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3. Beslissing
7 februari 2017.
Hoge Raad
Verdachte is in hoger beroep door het gerechtshof 's-Hertogenbosch veroordeeld wegens opzettelijke mishandeling van het slachtoffer op 8 augustus 2011 in Weert. Het hof achtte bewezen dat verdachte het slachtoffer meermalen heeft geschopt en geduwd, waardoor het slachtoffer letsel en pijn heeft opgelopen. Verdachte voerde in cassatie onder meer aan dat het hof onvoldoende had gemotiveerd dat het duwen mishandeling was en dat het noodweerverweer ten onrechte was verworpen.
De Hoge Raad oordeelt dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat verdachte onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep of omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden. De Hoge Raad verklaart het beroep niet-ontvankelijk op grond van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie.
In het geding stond onder meer de vraag of het hof terecht het noodweerverweer had verworpen, terwijl volgens verdachte het slachtoffer hem bij de keel had gegrepen en hij zich dus had moeten verdedigen. Het hof had echter geoordeeld dat geen sprake was van een noodweersituatie en dat het geweld door verdachte was begonnen. De Hoge Raad acht deze motivering voldoende en ziet geen reden tot cassatie.
De schriftuur van verdachte, ingediend door zijn raadsman, bevatte meerdere klachten over de bewezenverklaring en de motivering van het hof, maar deze konden het cassatieberoep niet ontvankelijk doen verklaren. Het arrest van het hof blijft daarmee in stand.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard en het arrest van het hof blijft in stand.