Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3. Beslissing
31 januari 2017.
Hoge Raad
De zaak betreft een verdachte die wordt verdacht van het witwassen van ruim € 500.000 over meer dan vier jaar. De verdediging stelde dat het geld afkomstig was uit legale handel in vrachtwagens met zakelijke contacten in het Midden-Oosten. Dit scenario was niet onwaarschijnlijk en deels verifieerbaar.
In hoger beroep verzocht de verdediging om het horen van circa 23 getuigen die konden verklaren over transacties en contacten met kopers en verkopers van vrachtwagens. Het hof wees deze verzoeken grotendeels af met de overweging dat ze onvoldoende waren onderbouwd, zonder duidelijk criterium te noemen. Pas in het verkorte arrest werden nadere gronden gegeven, die echter niet ter zitting waren uitgesproken.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof de verzoeken tot het horen van getuigen onvoldoende en onbegrijpelijk heeft gemotiveerd. Het hof heeft geen duidelijk maatstaf gehanteerd en heeft onterecht een te strenge eis aan de onderbouwing gesteld, terwijl het horen van getuigen essentieel was voor de verdediging om de legale herkomst van het geld aannemelijk te maken.
De Hoge Raad vernietigt het arrest en verklaart het cassatieberoep niet-ontvankelijk omdat de klachten geen behandeling rechtvaardigen. Dit arrest benadrukt het belang van een zorgvuldige motivering bij het afwijzen van getuigenverzoeken, zeker in complexe witwaszaken waar de bewijslast deels bij de verdachte ligt.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard vanwege onvoldoende belang en gebrekkige motivering van het hof bij het afwijzen van getuigenverzoeken.