Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Beslissing
24 januari 2017.
Hoge Raad
De zaak betreft een witwaszaak waarbij verdachte in Sint Maarten aanzienlijke geldbedragen in zijn woning had voorhanden. Het hof had vastgesteld dat het geld, hoewel verdachte een legale herkomst beweerde, niet aannemelijk kon worden verklaard en derhalve uit enig misdrijf afkomstig moest zijn. De verdachte voerde aan dat een deel van het geld een legale herkomst had, maar dit werd door het hof niet geaccepteerd vanwege onvoldoende concrete en verifieerbare onderbouwing.
Het hof baseerde zijn oordeel op onder meer de omvang van het geld, de verpakking, de aanwezigheid van vuurwapens, en de onvoldoende aannemelijke verklaringen van verdachte over huurinkomsten en verkoop van auto's en juwelen. Ook de verdachte's verklaring dat het geld bedoeld was voor investeringen in zijn bedrijf werd als niet geloofwaardig beoordeeld.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof terecht het vermoeden van witwassen aannam en dat de middelen van verdachte berusten op een onjuiste lezing van het hof. Het cassatieberoep werd daarom verworpen en de verbeurdverklaring van de geldbedragen gehandhaafd.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de verbeurdverklaring van de geldbedragen wegens witwassen.