Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Beslissing
18 april 2017.
Hoge Raad
De zaak betreft een beroep in cassatie van een veroordeelde tegen een uitspraak van de Rechtbank Rotterdam van 11 februari 2016. Het verzoek betrof de overname van de tenuitvoerlegging van een door een Belgische rechter opgelegde gevangenisstraf.
De advocaat van de veroordeelde heeft middelen van cassatie ingediend, waarop de Advocaat-Generaal heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. De Hoge Raad stelt dat de middelen niet leiden tot cassatie en dat geen nadere motivering nodig is omdat de middelen geen rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling oproepen.
De Hoge Raad wijst het beroep af en bevestigt daarmee de beslissing van de rechtbank. Tevens wordt benadrukt dat bij de WOTS-procedure de beraadslagingen dienen te geschieden door de rechters die de zaak in haar geheel ter terechtzitting hebben onderzocht, conform art. 81.1 RO.
Uitkomst: Hoge Raad verwerpt cassatieberoep en bevestigt beslissing rechtbank over tenuitvoerlegging Belgische gevangenisstraf.