Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het tweede middel
3.Beoordeling van de overige middelen
4.Slotsom
5.Beslissing
24 januari 2017.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch waarin hij is veroordeeld voor seksueel misbruik van een minderjarige. Het hof kende daarnaast een schadevergoeding toe aan de benadeelde partij van €10.100,00.
De Hoge Raad stelt vast dat het hof toepassing heeft gegeven aan art. 51f, eerste lid, Sv, dat sinds 1 januari 2011 geldt en geen wettelijk maximum kent voor de schadevergoeding van de benadeelde partij. Echter, het bewezen feit vond plaats vóór 1 april 1993, de datum waarop het oude art. 51a Sv in het arrondissement 's-Hertogenbosch in werking trad.
Volgens vaste rechtspraak geldt voor feiten van vóór die datum het oude maximum van ƒ1.500,- (€680,67) als grens voor de toewijzing van schadevergoeding aan de benadeelde partij. De Hoge Raad vernietigt daarom het deel van het arrest waarin een hoger bedrag is toegewezen en verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk voor het meerdere. Het beroep wordt voor het overige verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad beperkt de schadevergoeding van de benadeelde partij tot €680,67 en verklaart het meerdere niet-ontvankelijk.