Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het vierde middel
3.Beoordeling van de overige middelen
4.Slotsom
5.Beslissing
11 april 2017.
Hoge Raad
De verdachte werd door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld voor belaging, gepleegd in de periode augustus tot november 2013, waarbij hij stelselmatig en opzettelijk inbreuk maakte op de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer met het oogmerk deze te dwingen en vrees aan te jagen. Het hof legde een gevangenisstraf van een jaar op en een maatregel van terbeschikkingstelling (TBS) met verpleging van overheidswege.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd dat de TBS-maatregel is opgelegd ter zake van een misdrijf gericht tegen of gevaar veroorzakend voor de onaantastbaarheid van het lichaam, zoals vereist op grond van artikel 359, zevende lid, Sv. De feiten betreffen belaging, een misdrijf dat niet zonder meer als geweldsmisdrijf kan worden gekwalificeerd.
Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest voor zover het de strafoplegging en de last tot TBS betreft en wijst de zaak terug naar het hof voor hernieuwde berechting. De overige onderdelen van het arrest, waaronder de schadevergoedingsmaatregel, blijven in stand.
Uitkomst: Hoge Raad vernietigt het arrest voor de strafoplegging en TBS-maatregel en wijst de zaak terug voor hernieuwde berechting.