Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
4.Slotsom
5.Beslissing
28 maart 2017.
Hoge Raad
De verdachte werd in hoger beroep door het Gerechtshof Den Haag veroordeeld voor medeplegen van opzettelijke vrijheidsberoving met dodelijke afloop. Tegen dit arrest stelde de verdachte cassatieberoep in bij de Hoge Raad. De advocaat-generaal adviseerde tot vernietiging van het arrest voor wat betreft de strafhoogte en vermindering van de straf tot een gebruikelijke maatstaf, terwijl het overige beroep werd verworpen.
De Hoge Raad oordeelde dat het cassatiemiddel niet tot cassatie kon leiden en dat geen nadere motivering noodzakelijk was. Wel stelde de Hoge Raad vast dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro was overschreden, aangezien meer dan zestien maanden waren verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep terwijl de verdachte in voorlopige hechtenis verbleef.
Op grond hiervan besloot de Hoge Raad ambtshalve de opgelegde gevangenisstraf te verminderen van zes jaar naar vijf jaar en tien maanden. Het beroep werd voor het overige verworpen, waarmee het arrest van het hof in stand bleef behalve de strafduur. De uitspraak werd gedaan door de vice-president en raadsheren van de Strafkamer van de Hoge Raad op 28 maart 2017.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt ambtshalve verminderd van zes jaar naar vijf jaar en tien maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn.